01-06-2004 Grensoverschrijdend WAO-gat

Een in Duitsland werkende Nederlandse grensarbeider heeft bij ziekte aanspraak op een Duitse ziektewetuitkering. De duur daarvan bedraagt 78 weken (1½ jaar). Daarna heeft deze grensarbeider aanspraak op een pro-rata Duits invaliditeitspensioen (opbouwstelsel) en een pro-rata Nederlandse WAO-uitkering (risicostelsel).

In Nederland is sinds 1 januari 2004 de periode van loondoorbetaling bij ziekte (WULBZ) 24 maanden. Dat wil zeggen dat er pas na twee jaar een pro-rata WAO-uitkering wordt uitbetaald. Gedurende een periode van zes maanden heeft de arbeidsongeschikte grensarbeider dus slechts recht op een pro-rata Duits invaliditeitspensioen. Pas zes maanden later ontstaat recht op de pro-rata Nederlandse WAO-uitkering. Er is gedurende zes maanden sprake van een ernstig inkomenstekort. Op dit moment is onbekend hoe dit probleem moet worden opgelost.

De Nederlandse en Duitse autoriteiten studeren reeds vijf maanden op een oplossing.

1. Kan de Commissie aangeven op welke wijze dit probleem door de huidige coördinatieverordening (EEG) 1408/71(1) wordt opgelost?

2. Welke van beide lidstaten zal naar de opvatting van de Commissie dit inkomenstekort van zes maanden moeten repareren en op welke wijze?

3. Is de Commissie met de vragensteller van mening dat voor de invoering van nationale wetten bekeken moet worden wat de effecten zijn voor grensarbeiders en hoe een en ander eventueel opgelost moet worden (grenseffectentoets)?

Antwoord van de heer Dimas namens de Commissie

Wat de eerste vraag betreft, is de door het geachte Parlementslid beschreven toestand te wijten aan het feit dat Verordening (EEG) nr. 1408/71(1) geen harmonisering inhoudt van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten, maar deze alleen coördineert. Elke lidstaat staat het bijgevolg vrij zijn eigen socialezekerheidsstelsel vast te stellen, meer bepaald de voorwaarden voor aansluiting, voor de toekenning van sociale uitkeringen en de hoogte van het bedrag daarvan. Zo bepalen de lidstaten de duur van de uitkeringen bij ziekte alsook de voorwaarden voor de toekenning van een invaliditeitspensioen. Binnen de uitoefening van hun bevoegdheid moeten de lidstaten natuurlijk rekening houden met het beginsel van gelijke behandeling en het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit.

Wat de invaliditeitspensioenen betreft, wordt bij Verordening (EEG) nr. 1408/71 migrerende werknemers die achtereenvolgens of afwisselend aan de wetgevingen van twee of meer lidstaten onderworpen zijn geweest het recht toegekend op een proportioneel berekend invaliditeitspensioen, ten laste van elke lidstaat waar zij verzekerd zijn geweest. Zij moeten echter in elke betrokken lidstaat voldoen aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen, alsook voor vaststelling van de invaliditeitsgraad en de duur van de arbeidsongeschiktheid.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie stelt Verordening (EEG) nr. 1408/71 geen gemeenschappelijk socialezekerheidsstelsel in, maar laat zij de diverse nationale stelsels afzonderlijk bestaan. Het Hof van Justitie heeft er overigens bij herhaling op gewezen dat artikel 42 van het EG-Verdrag verschillen laat bestaan in de diverse socialezekerheidsstelsels van elke lidstaat en dat bijgevolg ook de rechten van de werknemers niet volledig gelijklopend zijn. Artikel 42 van het EG-Verdrag heeft daarom geen betrekking op de fundamentele en procedureverschillen tussen de socialezekerheidsstelsels van de diverse lidstaten(2). Daarnaast staat het elke lidstaat ook vrij zijn wetgeving inzake sociale zekerheid vast te stellen en te wijzigen. Deze wijzigingen kunnen een inkomensverlies voor de personen impliceren op wie de wetgeving van toepassing is.

Wat de tweede en derde vraag betreft, herinnert de Commissie eraan dat zonder harmonisering op communautair niveau het aan de betrokken lidstaat is om na te gaan of het inkomensverlies ten gevolge van een wijziging in de wetgeving aanleiding moet zijn tot een voorkeursbehandeling in het licht van de persoonlijke situatie van de betrokkene. In dit verband zij herinnerd aan het arrest Engelbrecht(3), waarin het Hof van Justitie stelt dat het aan de nationale rechter is om de nationale bepalingen die hij moet toepassen, zo veel mogelijk in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht uit te leggen.

(1) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PB L 149 van 5.7.1971.
(2) Zie arrest van 7.2.1991, Rönfeldt, punt 12, C-227/89, Jurispr. 1991, blz. I-323.
(3) Zie arrest van 26.9.2000, zaak C-262/97, Engelbrecht, punt 39, Jurispr. 2000, blz. I-7321.

Ga terug