01-09-2006 Tewerkstellingsrecht derdelanders

Van twee in België wonende echtparen werken de beide vrouwen — met de Belgische resp. Nederlandse nationaliteit — als grensarbeider in Nederland. Beide vrouwen zijn gehuwd met een derdelander (USA resp. Nigeria).

1. Is het juist dat beide echtgenoten (derdelanders) op grond van artikel 11 van Verordening 1612/68(1) zonder tewerkstellingsvergunning ook in Nederland als grensarbeider mogen werken(2)?

2. Mag Nederland een onderscheid maken tussen de echtgenoot (derdelander) van de grensarbeidster met Nederlandse nationaliteit en de echtgenoot (derdelander) van de grensarbeidster met de Belgische nationaliteit?

3. Heeft de vervanging van art. 11 van Verordening 1612/68 door art. 23 Richtlijn 2004/38(3) geleid tot een verandering resp. verslechtering van het tewerkstellingsrecht van de bovengenoemde derdelanders? Indien er sprake is van een verslechtering, hoe denkt de Commissie dit probleem dan op te lossen?

4. Behoudt de derdelander die in Nederland werkt, het recht om als grensarbeider te werken in het geval zijn EU-echtgenote niet meer als grensarbeider werkt?

5. Heeft een derdelander, die in een lidstaat het duurzaam verblijfsrecht verworven heeft, het recht om in een andere lidstaat te werken als grensarbeider?

(1) De echtgenoot van een onderdaan van een Lid-Staat die op het grondgebied van een Lid-Staat arbeid al of niet in loondienst verricht, alsmede de kinderen onder de 21 jaar of die te zijnen laste zijn hebben het recht, zelfs indien zij niet de nationaliteit van een Lid-Staat bezitten, om op het gehele grondgebied van die Lid-Staat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden. Artikel 11 van Vo 1612/68 (vervallen per 29 april 2006), PB L 257 van 19.10.1968, blz. 2.
(2) Zie HvJ C‑10/05 (Mattern/Cikotic).
(3) De familieleden van een burger van de Unie die in een lidstaat verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten, hebben ongeacht hun nationaliteit het recht aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen. Artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 (Bijbehorende rechten), PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

Antwoord van de heer Špidla namens de Commissie

1/2. Volgens de eerdere tekst van artikel 11 van Verordening nr. 1612/68(1) heeft de echtgenoot van een onderdaan van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat arbeid al of niet in loondienst verricht, ongeacht zijn of haar nationaliteit, het recht om op het gehele grondgebied van die lidstaat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden.

Het recht dat dit artikel aan echtgenoten van migrerende werknemers toekent, hangt samen met de rechten die artikel 39 van het EG-Verdrag aan die werknemers toekent. Hieruit volgt dat het recht van een onderdaan van een derde land die gehuwd is met een EU-onderdaan op toegang tot de arbeidsmarkt van een lidstaat, afhangt van de rechten die artikel 39 van het EG-Verdrag aan deze EU-onderdaan toekent.

In beginsel kan een Nederlands onderdaan die in Nederland werkt, niet worden beschouwd als een migrerende werknemer in de zin van Verordening nr. 1612/68, ook al woont hij in een andere lidstaat. Dientengevolge kan zijn of haar echtgenoot uit een derde land geen beroep doen op artikel 11 van Verordening nr. 1612/68 om in Nederland in loondienst te kunnen treden.

3. De Commissie wijst erop dat artikel 11 van Verordening nr. 1612/68 met ingang van 30 april 2006 is ingetrokken bij artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG(2). Artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG bepaalt dat de familieleden van een burger van de Unie die in een lidstaat verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten, ongeacht hun nationaliteit het recht hebben aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen. In het geval van grensarbeiders betekent dit artikel dat gezinsleden mogen werken in de lidstaat waar de werknemer woonachtig is. Artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG weerspiegelt het algemene beginsel dat gezinsleden van burgers van de Unie, tenzij zij zelf ook EU-burger zijn, geen autonoom recht op vrij verkeer hebben waarbij zij het recht zouden hebben in één lidstaat te wonen en in een andere werken. De rechten die hun worden toegekend, zijn afgeleid van de rechten die de migrerende werknemer geniet ten behoeve van zijn integratie en die van zijn gezin.

4/5. Zoals hierboven uitgelegd mag op grond van Richtlijn 2004/38/EG een gezinslid uit een derde land dat in een lidstaat verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht geniet alleen in die lidstaat werken. Ook Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen(3) verleent onderdanen van derde landen die langdurig ingezetenen zijn niet het recht als grensarbeider in een andere lidstaat te werken.

(1) Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.
(2) Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.
(3) PB L 16 van 23.1.2004.

Ga terug