10-03-2006 Effect van nieuwe Nederlandse zorgverzekeringwet op post-actieve grensarbeiders

In Nederland bestaat sinds 2006 een nieuwe zorgverzekeringwet. Vóór de invoering van deze wet betaalden ziekenfondsverzekerde post-actieve grensarbeiders in Nederland premies voor de ziekteverzekeringen (ZFW en AWBZ). Er werd o.a. premie geheven voor de AWBZ (13,45 % over maximaal EUR 30357). Hierbij had de post-actieve grensarbeider op persoonlijke titel recht op een heffingskorting ten belope van het AWBZ deel. Verder had hij voor zijn niet werkende echtgenote recht op de zogenaamde heffingskorting niet-werkende partner t.b.v. EUR 1894 maximaal(2005). Deze werd aan de echtgenote uitbetaald indien de echtgenoot koos voor de behandeling als binnenlands belastingplichtige. Deze kortingen op de sociale premies moeten gezien worden als (familiaal) sociaal voordeel (art 7, lid 2 van Vo 1612), waarop de post-actieve grensarbeider ook al recht had toen hij nog werkte.

Na de invoering van de zorgverzekeringwet zijn post-actieven wonend in het buitenland niet meer verzekerd op basis van Nederlandse wetgeving. Zij worden beschouwd als zogenaamde verdragsverzekerden (art 28 van Vo 1408/71(1)). Er worden géén premies meer geheven doch bijdragen. Omdat men niet meer premieplichtig is in Nederland — wel bijdrageplichtig — bestaat er geen recht meer op de eerdergenoemde heffingskortingen. De in Nederland wonende post-actieven in een vergelijkbare inkomenspositie behouden hun heffingskortingen wel. Beide groepen hebben recht op een zogenaamde zorgtoeslag, doch bij de hoogte van de zorgtoeslag wordt geen rekening gehouden met het niet meer uitbetalen van de zeer aanzienlijke heffingskortingen aan de postactieve grensarbeider.

1. Bij deze vragen wij de Commissie om de Nederlandse regering te verzoeken om de inkomenseffecten te berekenen van de nieuwe zorgverzekeringswet in het geval van een postactieve werknemer c.q. grensarbeider — met een echtgenote zonder inkomen — waarvan het Nederlands inkomen (bij arbeidsongeschiktheid) EUR 16000 per jaar bedraagt:

— Inkomen post-actieve grensarbeider EUR 16000. Echtgenote EUR 0. Premies 2005: AWBZ (13,45 % minus AWBZ deel algemene heffingskorting) EUR 1546 + ZFW (1,45 %) EUR 231 + 2 pp x EUR 360 (nominaal) = EUR 2497. Dit bedrag moet verminderd worden met de no claim van EUR 255 en de algemene heffingskorting voor de partner zonder inkomen EUR 1546. Totale premielast (gezin) EUR 696.

— Inkomen post-actieve grensarbeider EUR 16000. Echtgenote EUR 0. Bijdragen 2006: AWBZ (8,8 %(2) zonder algemene heffingskorting) EUR 1408 + ZVW nominaal EUR 1702 = EUR 3110. Na aftrek van de te ontvangen zorgtoeslag (EUR 1100) bedraagt de totale last EUR 2010. Er bestaat geen recht meer op heffingskorting partner EUR 1408. Nadeel t.g.v van nieuwe ZVW bedraagt EUR 2010 minus EUR 696 = EUR 1314 per jaar.



2. Is de Commissie van mening dat een familiaal sociaal voordeel — heffingskortingen voor premiebetalingen — waarop de grensarbeider recht had tijdens zijn actieve loopbaan — behouden moet blijven als deze grensarbeider post-actief geworden en enkel een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt (arrest Meints (C-57/96)?


Antwoord van de heer Špidla namens de Commissie


Wat de eerste vraag betreft, wijst de Commissie de geachte Parlementsleden erop dat de communautaire bepalingen inzake sociale zekerheid slechts voorzien in de coördinatie van de socialezekerheidsregelingen. Het blijft de lidstaten vrijstaan hun socialezekerheidsstelsel in te richten en te financieren zoals hun goeddunkt, zolang zij zich houden aan de beginselen van het EG-Verdrag en Verordening (EEG) nr. 1408/71(1). In dit verband verwijst de Commissie naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie, waarin wordt gesteld dat „zomin als de artikelen 48 en 52 van het Verdrag (thans de artikelen 39 en 49) betekenen dat de uitoefening van het recht van vrij verkeer door personen die beroepswerkzaamheden uitoefenen, nooit leidt tot verschillen in de hoogte van de sociale bijdragen die van hen kunnen worden verlangd of in de sociale bescherming die zij genieten, deze artikelen, bij gebreke van harmonisatie van de socialezekerheidswetgevingen, evenmin impliceren dat de betrokkenen erop kunnen rekenen dat voor hen in alle omstandigheden het beheer van hun sociale dekking, wat de ingewikkeldheid betreft, neutraal zal uitvallen” (punt 58 van het arrest-Hervein van 19 maart 2002, C-393/99 en C-394/99). Daarom is de Commissie van mening dat het geen zin heeft de Nederlandse autoriteiten te vragen de inkomenseffecten van de nieuwe zorgverzekeringswet te berekenen voor postactieve werknemers c.q. grensarbeiders.

De tweede vraag betreft het bedrag aan socialezekerheidsbijdragen dat door postactieve grensarbeiders met een Nederlands pensioen moet worden betaald. Deze personen kunnen zich voor de bescherming van hun rechten beroepen op artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 inzake gelijke behandeling. Uit de door de geachte Parlementsleden verstrekte informatie blijkt echter niet duidelijk dat de Nederlandse autoriteiten postactieve grensarbeiders geen recht op dit voordeel geven. Daarom verzoekt de Commissie de geachte Parlementsleden haar rechtstreeks meer informatie te verstrekken, zodat zij die in het licht van het Gemeenschapsrecht kan bestuderen.

(1) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PB L 149 van 5.7.1971.

Ga terug