10-04-2007 Het gassen van containers

Het gassen van containers in derde landen leidt regelmatig tot ongevallen bij havenarbeiders en douanebeambten in de EU. Daarnaast blijven resten van o.a. methylbromide achter in levensmiddelen en consumentengoederen. Uit onderzoek van het Nederlandse Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) blijkt dat het aantal gevaarlijke containers toeneemt terwijl de waarschuwingssignalen op de containers veelal ontbreken.

In hoeverre stelt de Commissie dit aan de orde tijdens het overleg binnen het kader van de IPPC-conventie? Zou de EU niet moeten streven naar een internationaal verbod op het gassen van containers aangezien er alternatieve technieken beschikbaar zijn?

Wat doet de Commissie om derde landen te stimuleren om andere, minder gevaarlijke, fytosanitaire maatregelen te nemen? Als methylbromide wordt gebruikt in Europa dan is dat zwaar gereguleerd maar als we containers importeren zijn er geen enkele regels. Is dat niet vreemd?

Hoe beoordeelt de Commissie de aanpak van de genoemde gevaren in de verschillende Europese havens?

Antwoord van de heer Dimas namens de Commissie

Het voornaamste doel van het Internationaal verdrag voor de bescherming van planten (IPPC) is planten te beschermen tegen schadelijke organismen, zonder te verwijzen naar specifieke bestrijdingsmiddelen. De overeenkomstsluitende partijen van het IPPC zijn vaak ook partij bij het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, een internationale overeenkomst die als doel heeft het gebruik van ozon afbrekende stoffen, waaronder methylbromide, geleidelijk te doen verdwijnen. Methylbromide wordt al decennia lang gebruikt voor het bestrijden van insecten, nematoden, onkruid, ziekteverwekkers en knaagdieren, onder meer voor de behandeling van granen en houten verpakkingsmateriaal in containers en voor bodembehandelingen en behandelingen na de oogst. Het IPPC heeft onlangs een strategie uitgewerkt om het gebruik van methylbromide voor fytosanitaire toepassingen te verminderen of te vervangen. De Commissie steunt de ontwikkeling van een dergelijke strategie. In de huidige fase vinden er technische discussies over dit onderwerp plaats, waaraan de Commissie een actieve bijdrage levert. Dit moet uiteindelijk leiden tot een internationale standaard met richtsnoeren voor de wijze waarop het gebruik van methylbromide voor fytosanitaire toepassingen kan worden verminderd of vervangen.

Het gebruik van methylbromide valt in Europa onder verschillende rechtsvoorschriften overeenkomstig Verordening (EG) 2037/2000(1), waarmee ook het Protocol van Montreal ten uitvoer wordt gelegd, is het gebruik van methylbromide voor quarantainedoeleinden of toepassingen ter voorbereiding van het vervoer gebonden aan jaarlijkse invoerquota en maximale hoeveelheden die op de markt mogen worden gebracht. Deze maatregelen zijn strikter dan de door het Protocol van Montreal gestelde eisen. Krachtens deze verordening is het gebruik van methylbromide voor bodemfumigatie of voor behandelingen na de oogst sinds januari 2005 verboden, met uitzondering van zogeheten kritische toepassingen waarvoor nog geen technisch of economisch haalbare alternatieven beschikbaar zijn. Zowel op internationaal niveau (het Protocol van Montreal) als op Gemeenschapsniveau (Verordening nr. 2037/2000) worden strikte criteria toegepast om het aantal kritische toepassingen zo veel en zo snel mogelijk te verminderen teneinde dit gebruik van methylbromide uiteindelijk volledig uit te bannen.

Het gebruik van methylbromide als gewasbeschermingsmiddel is gereguleerd bij Richtlijn 91/414/EEG(2). Op dit moment is het de lidstaten bij wijze van overgang toegestaan om nationale wetgeving op te stellen voor het gebruik van methylbromide. Voor 31 december 2008 moet op Gemeenschapsniveau, op basis van de conclusies van de Europese Autoriteit voor de Voedselveiligheid, worden besloten of deze stof al dan niet in de positieve lijst van Richtlijn 91/414/EEG wordt opgenomen.

Residuen van bestrijdingsmiddelen die na het gassen van containers in levensmiddelen achterblijven moeten voldoen aan de nationale maximumwaarden voor residuen (MRL), of deze levensmiddelen nu in Europa zijn geproduceerd dan wel geïmporteerd. In het specifieke geval van methylbromide is de nationale MRL-wetgeving voor bestrijdingsmiddelen van toepassing. De maximumwaarden voor residuen in de EU worden momenteel opgesteld en het harmonisatieproces voorziet in een door de Europese Autoriteit voor de Voedselveiligheid uitgevoerde risicobeoordeling. Voordat een Europese MRL kan worden vastgesteld, moet worden aangetoond dat de waarde veilig is voor alle groepen EU-consumenten, ook voor kwetsbare groepen als kleine kinderen.

Van toepassing zijn de op basis van bestaande communautaire wetgeving omgezette nationale bepalingen inzake risicopreventie en de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk, met name de bepalingen van Richtlijnen 89/391/EEG(3) en 2004/37/EG(4) betreffende risicobeoordeling en de daaruit voortvloeiende beschermende maatregelen.

(1) Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, PB L 244 van 29.9.2000.
(2) Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, PB L 230 van 19.8.1991.
(3) Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, PB L 183 van 29.6.1989.
(4) Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk, PB L van 30.4.2004.

Ga terug