10-10-2007 Effect Nederlandse Wet Kinderopvang voor grensarbeiders


Bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht doet zich bij de grensoverschrijdende toepassing van de Nederlandse Wet Kinderopvang het volgende probleem voor. Het is zo dat een in Nederland wonend gezin waarvan beide ouders in België of in Duitsland werken, geen recht schijnen te hebben op de Nederlandse kinderopvangvergoeding. Ook is er onduidelijkheid over de kwalificatie van de kinderopvangtegemoetkoming. Duitsland vindt — in tegenstelling tot België — dat er bij de berekening van de samenloop van de kinderbijslagen geen rekening gehouden hoeft te worden met de Nederlandse kinderopvang tegemoetkoming.

1. Moet artikel 13, lid 2, letter a van Verordening. (EEG) nr. 1408/71(1) restrictief uitgelegd worden in de zin dat een gezin, dat woont in Nederland en recht heeft op Nederlandse gezinsbijslagen (kinderbijslag en kinderopvangtoeslag), dit recht volledig verliest indien beide ouders in België of Duitsland (gaan) werken?

2. Kan een gezin — waarvan beide ouders als grensarbeider in België of Duitsland (gaan) werken — zich rechtstreeks beroepen op het EG-Verdrag om de gunstigere regelingen van hun woonstaat te bedingen met betrekking tot de toekenning van (aanvullende) gezinsbijslag?

3. Indien het antwoord op vraag 1 en 2 negatief is, is het dan niet zo dat Nederland — de woonstaat van het gezin — dit aanvullend recht om redenen van sociale gelijkheid in haar nationale wetgeving kan of moet regelen?

Antwoord van de heer Špidla namens de Commissie

Zoals de Commissie in haar antwoord op mondelinge vraag nr. H-0536/05(1) en schriftelijke vraag nr. E-3407/07 van de heer Belet heeft aangegeven, is de kinderopvangvergoeding waarin de Nederlandse wetgeving voorziet, een gezinsbijslag in de zin van artikel 4, lid 1, onder h), van Verordening (EEG) nr. 1408/71(2).

De Commissie herinnert eraan dat Verordening (EEG) nr. 1408/71 op het gebied van gezinsbijslagen prioriteitsregels vastlegt wanneer zich een samenloop van rechten op gezinsbijslag voordoet. Wanneer in de woonstaat van de kinderen een recht op gezinsbijslagen bestaat, onafhankelijk van de voorwaarden inzake verzekering, arbeid of niet in loondienst verrichte werkzaamheden, en de persoon die recht heeft op de bijslagen of de persoon aan wie ze worden verleend geen beroepsactiviteit uitoefent op het grondgebied van die staat, bepaalt de verordening met name dat de rechten in de woonstaat worden geschorst indien in een andere lidstaat een recht op gezinsbijslagen bestaat op basis van een beroepsactiviteit die in deze andere lidstaat wordt uitgeoefend.

In dat geval wordt het recht op gezinsbijslagen in de woonstaat geschorst ten belope van het bedrag van de bijslagen die verschuldigd zijn in de staat waar de beroepsactiviteiten worden uitgeoefend. Dit coördinatievoorschrift is conform het EG-Verdrag voor zover het toelaat het hoogste bedrag aan gezinsbijslagen te garanderen waarin een van de toepasselijke nationale wetgevingen voorziet.

Daaruit volgt dat in de situatie die de geachte Parlementsleden hebben voorgelegd en waarin geen beroepsactiviteit in Nederland wordt uitgeoefend, de gezinsbijslagen in de eerste plaats moeten worden betaald door de andere lidstaat, waar de beroepsactiviteit wordt uitgeoefend. Nederland moet eventueel het verschil toeleggen, als de gezinsbijslagen waarin de Nederlandse wetgeving voorziet, hoger zijn.

(1) Schriftelijk antwoord van 5.7.2005.
(2) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PB L 149 van 5 juli 1971, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, PB L 392 van 30.12.2006.

Ga terug