12-06-2007 Studiefinanciering kinderen grensarbeiders

Kinderen van in Nederland werkende grensarbeiders hebben op grond van het arrest Meeusen (C-337/97) aanspraak op Nederlandse studiefinanciering. Recentelijk heeft Nederland de Wet Studiefinanciering gewijzigd, waardoor het voor studenten die in Nederland wonen mogelijk wordt om hun Nederlandse studiefinanciering „mee te nemen” naar een groot aantal landen. Als voorwaarde geldt dat de student(e) gedurende de zes jaar voorafgaand aan zijn/haar studie in het buitenland, ten minste drie jaar in Nederland gewoond moet hebben. De studerende kinderen van grensarbeider voldoen uiteraard niet aan deze voorwaarde. Dit heeft als gevolg dat er geen recht (meer) bestaat op Nederlandse studiefinanciering, als deze kinderen in hun eigen woonland studeren.

1. Is het stellen van een woonplaatseis niet in strijd met het Gemeenschapsrecht(1)?

2. Is het stellen van een woonplaatseis niet in strijd met artikel 7, lid 2 van Verordening nr. 1612/68(2), indien dit tot gevolg heeft dat de kinderen van grensarbeider niet meer in aanmerking komen voor Nederlandse studiefinanciering?

3. Moet Nederland het wonen van de kinderen van de grensarbeider in België resp. Duitsland niet gelijkstellen aan wonen in Nederland?

4. Moet Nederland de tijdvakken van (grens)arbeid in Nederland niet gelijkstellen aan de tijdvakken van wonen?

5. Is Nederland niet verplicht om Nederlandse studiefinanciering toe te kennen aan kinderen van grensarbeiders, indien het gezinsinkomen van de grensarbeider grotendeels afkomstig is uit Nederland en er in het woonland geen recht bestaat op fiscale en sociale (gezins)voordelen t.b.v. studerende kinderen(3)?

Antwoord van de heer Figel' namens de Commissie


Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in het door het geachte Parlementslid bedoelde arrest van 8 juni 1999 in de zaak C. P. M. Meeusen/Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep(1) voor recht verklaard dat het kind ten laste van een onderdaan van een lidstaat die in een andere lidstaat arbeid in loondienst verricht, doch blijft wonen in de lidstaat waarvan hij onderdaan is, zich kan beroepen op artikel 7, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad(2) ter verkrijging van studiefinanciering onder dezelfde voorwaarden als voor de kinderen van onderdanen van de staat van tewerkstelling gelden, en in het bijzonder zonder dat een nadere voorwaarde betreffende de woonplaats van het kind kan worden gesteld.

Over de vraag hoe het wonen in een grensgemeente van de ene lidstaat zich verhoudt tot de toekenning van een studietoelage voor een opleiding in een andere lidstaat is de eveneens door het geachte Parlementslid genoemde zaak-Bucher aanhangig(3), zulks naar aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Verwaltungsgericht Aachen (Duitsland). Advocaat-generaal Dámaso Ruiz-Jarabo Colomer heeft op 20 maart 2007 conclusie genomen en het Hof zal binnenkort uitspraak doen.

Om institutionele redenen is de Commissie in deze aangelegenheid gehouden aan haar zwijgplicht in afwachting van het arrest van het Hof.

(1) Jurisprudentie 1999, blz. I-03289.
(2) Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, PB L 257 van 19.10.1968.
(3) Rhiannon Morgan/Bezirksregierung Köln en Iris Bucher/Landrat des Kreises Düren.

Ga terug