15-10-2009 Nederlandse tegemoetkoming kosten kinderopvang voor uitgezonden werknemers


Betreft: Nederlandse tegemoetkoming kosten kinderopvang voor uitgezonden werknemers


De Nederlandse Wet Kinderopvang (WKO) stelt in artikel 6 de voorwaarde dat beide ouders in Nederland moeten werken of wonen om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang. Dit betekent dat gezinnen waarvan beide partners in loondienst werken en die beiden door hun Nederlandse werkgever naar een andere Lid-Staat uitgezonden worden om aldaar voor een periode van maximaal 5 jaar beide werkzaam te zijn, volgens de nationale wetgeving géén aanspraak kunnen maken op deze vergoeding. Zij wonen noch werken immers in Nederland. Beide uitgezonden werknemers zijn echter onderworpen aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op grond van de ex artikel 14 lid 1 sub a (bij kortdurende uitzending) resp. 17 (bij langdurige uitzending) van verordening (EEG) nr. 1408/71 afgegeven E101 verklaring(1).

In antwoord op eerdere vragen heeft de Commissie kenbaar gemaakt dat deze de tegemoetkoming kwalificeert als een gezinsbijslag (artikel 1, lid u sub i van verordening (EEG) nr. 1408/71)(2). Een werknemer die onderworpen is aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, heeft op grond van artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 recht op de gezinsbijslagen waarin de wetgeving van de bevoegde Lid-Staat (Nederland) voorziet, ongeacht waar de gezinsleden woonachtig zijn.

1. Mag Nederland deze tegemoetkoming onthouden aan bovengenoemde in Nederland sociaal verzekerde gezinnen, waarvan beide ouders in loondienst werken, die naar een ander Lid-Staat uitgezonden worden om aldaar beide werkzaam te zijn, op grond van het feit dat geen van beide partners in Nederland woont of werkt of is deze handelswijze in strijd met verordening (EEG) nr. 1408/71 resp. artikel 39 EG-Verdrag?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is, hoe verhoudt zich dan deze weigering om de tegemoetkoming uit te betalen tot het beginsel van sterke werking van verordening (EEG) nr. 1408/71 waardoor woonplaatsvereisten in de nationale wetgeving van Lid-Staten opzij gezet worden door de verordening?

3. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is, hoe verhoudt zich dan deze weigering om de tegemoetkoming uit te betalen tot het arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak C-333/00 van 7 november 2002?

(1) PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.
(2) Mondelinge vraag, 22.6.2005, H-0536/05, Schriftelijke vraag, 3.7.2007, E-3407/07 en Schriftelijke vraag, 22.10.2007, E-5176/07.

Antwoord van de heer Špidla namens de Commissie

De Commissie vindt dat de Nederlandse uitkering voor kinderopvang beschouwd moet worden als een gezinsbijslag die onder Verordening (EEG) nr. 1408/71(1) valt. Dit betekent dat personen die onder de Nederlandse sociale wetgeving ressorteren, recht hebben op deze bijslag ongeacht hun woonplaats.

De Nederlandse autoriteiten kunnen deze bijslag niet onthouden aan uitgezonden gezinnen die in een andere lidstaat wonen en werken maar onder de Nederlandse sociale wetgeving ressorteren. Het lijkt er daarom op dat de Nederlandse wetgeving die het recht op uitkeringen voor kinderopvang beperkt tot personen die in Nederland wonen of werken, strijdig is met artikel 73 van Verordening (EEG) nr. 1408/71.

De Commissie zal over deze kwestie contact opnemen met de Nederlandse autoriteiten.

(1) PB L 149 van 5.7.1971.

Ga terug