24-06-2008 Verordening (EEG) nr. 1408/71: pensioenen


Een in België wonende Nederlandse gepensioneerde is op grond van art 13.2 f van verordening (EEG) nr. 1408/71(1) niet meer sociaal verzekerd in Nederland. Overeenkomstig artikel 28 van deze verordening heeft betrokkene aanspraak op medische verstrekkingen in België voor rekening van Nederland alsof betrokkene recht had op een pensioen of een rente krachtens de wettelijke regeling van de Staat op het grondgebied waarvan hij woont Artikel 3 lid 1 van verordening (EEG) nr. 1408/71 bepaalt dat… „Personen die op het grondgebied van een der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening”

Verder stelt lid 3 van artikel 3 van verordening 1408/71 dat „De rechten, voortvloeiende uit verdragen inzake sociale zekerheid welke krachtens artikel 7, lid 2, sub c, van toepassing blijven, alsmede uit verdragen, welke krachtens artikel 8, lid 1, worden gesloten, worden uitgebreid tot allen op wie deze verordening van toepassing is, tenzij in bijlage III anders wordt bepaald.”

Naar mijn mening hebben Nederlandse gedraggerechtigden op grond van het arrest Gottardo (C-55/00) — net als rechtsreeks in België verzekerden (eigen onderdanen) — ook aanspraak op spoedeisende verstrekkingen als zij in derde land (niet EU-lidstaat bijv. USA) verblijven waarmee België een bilateraal verdrag heeft afgesloten. Hoe beoordeelt de Commissie deze conclusie?

Antwoord van de heer Špidla namens de Commissie


In zijn arrest in de zaak Gottardo(1) stelt het Hof van Justitie dat, wanneer een lidstaat een bilaterale internationale overeenkomst met een derde land sluit, deze lidstaat overeenkomstig het fundamentele beginsel van gelijke behandeling verplicht is de onderdanen van andere lidstaten die op zijn grondgebied wonen, dezelfde voordelen te verlenen als die welke zijn eigen onderdanen krachtens deze overeenkomst genieten, tenzij hij een objectieve rechtvaardiging voor zijn weigering kan aanvoeren. Bij de uitvoering van de verbintenissen die zij krachtens internationale overeenkomsten zijn aangegaan, moeten de lidstaten, onder voorbehoud van artikel 307 van het EG‑Verdrag, de krachtens het Gemeenschapsrecht op hen rustende verplichtingen nakomen.

Dit betekent echter niet dat het betreffende derde land verplicht is het Gemeenschapsrecht toe te passen en EU‑onderdanen die op het grondgebied van een lidstaat wonen waarmee het derde land een bilaterale overeenkomst heeft, gelijk moet behandelen.

Ga terug